pets

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • pets
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘klap’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1913 [1]
  • klanknabootsing [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord pets petsen
verkleinwoord petsje petsjes

Zelfstandig naamwoord

pets m [3]

  1. harde klap die men met de blote, platte hand geeft
    • De dronken man stond in een volle Parijse bus tegen een 21-jarige vrouw aangedrukt. Plots gaf hij haar een pets op de billen. De vrouw reageerde, maar kreeg vervolgens enkele beledigingen naar het hoofd geslingerd: ,,Je hebt grote borsten, vuile hoer”, riep de man haar toe. [4] 
  2. hard geluid dat men hoort als iets valt
    • Een man met afzakkende broek laat z’n Hema-worst uit het zakje glippen; met een pets belandt hij (de worst) op de tegels van de stationshal. De man aarzelt: oprapen? Doorlopen? De worst blijft liggen, eenzaam en verlaten. [5] 
Synoniemen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
petsen

pets

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van petsen
    • Ik pets. 
  2. gebiedende wijs van petsen
    • Pets! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van petsen
    • Pets je? 

Gangbaarheid

84 % van de Nederlanders;
57 % van de Vlamingen.

Verwijzingen