klak

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
3. pet met klep
4. hoge hoed die kan worden ingeklapt

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • klak
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord klak klakken
verkleinwoord klakje klakjes

Zelfstandig naamwoord

klak v/m

  1. klikkend geluid, lager klinkend en langer durend dan een tik
    • Cicaden maken lawaai met de twee trommelorgaantjes aan de zijkant van hun lijf. Zo’n orgaan is een vlies met stijve ribben die ‘klak’ zeggen als de cicade ze ombuigt. Net als een metalen klakplaatje. [2]
    • Er klonken voetstappen achter me: lichte, met een vrouwelijke klak. [3]
    1. soort klikgeluid gemaakt met de tong
      • Onze dochter van zes, die stampvoet,
        één, twee keer,
        en verontwaardigd tongklakt tegen haar ouders
        met een klak die ons tegelijkertijd bereisd,
        spontaan, inheems en uitheems voorkomt.
         [4]
    2. klik-klak: het geluid van een mechanisch apparaat dat omgezet wordt
      • Vorige week hebben we in Alkmaar gecanvast. In een hogeremiddenklassewijk, weer met relatief veel progressieve stemmers. Ze wonen in mooie rijtjeshuizen met dure auto’s voor de deur. Veel mensen hebben de deur driedubbel op slot, ook als ze thuis zijn. ‘Klik-klak-klik’ gaat het als je aanbelt. Geen toeval: naast zorg en onderwijs bleek veiligheid een belangrijk thema voor de bewoners.[5] 
  2. klodder, vlek
  3. (kleding) pet met klep
    • Hoofdpijn: men nam gedurende tien minuten een voetbad van houtas, gemengd met een handvol zout en mosterd of legde een rood koolblad op het hoofd onder muts of klak. [6]
    1. (figuurlijk) (Bargoens) politieagent[7]
  4. (kleding) hoge hoed die kan worden ingeklapt
  5. groep mensen die is ingehuurd om iemand met applaus toe te juichen
Synoniemen
Uitdrukkingen en gezegden
  • met zijn klikken en klakken op straat gezet worden
[2] met zijn hebben en houden op straat gezet worden

Niet in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Taalunie als tussenwerpsel.

Tussenwerpsel

klak

  1. weergave van een klikkend geluid, lager klinkend en langer durend dan een tik
    • In een la zat het antwoord. Klak. Een zanglijster! Geen levende natuurlijk, maar een opgezette, in een doosje. [8]

Werkwoord

vervoeging van
klakken

klak

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klakken
    • Ik klak. 
  2. gebiedende wijs van klakken
    • Klak! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van klakken
    • Klak je? 

Gangbaarheid

72 % van de Nederlanders
86 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Lets

Woordherkomst en -opbouw

Tussenwerpsel

klak

  1. klik, het geluid van een schakelaar die omgezet wordt