Naar inhoud springen

hoed

Uit WikiWoordenboek
  • hoed
enkelvoud meervoud
naamwoord hoed hoeden
verkleinwoord hoedje hoedjes

dehoedm

  1. (hoofddeksel) een hoofddeksel
    • De man droeg een hoge hoed. 
     ' Misschien kan ik van de gordijnen een hoed laten maken, denkt ze, terwijl ze ze openschuift.[4]
     Ik wil om een gulden wedden dat Frans de grootste hoed van alle aanwezigen draagt, en dat hij die van Agnes moest opzetten.[4]
     In zijn hand heeft hij een hoed, waarvan de rand de breedste is in het hele vertrek.[4]
  2. (mycologie) het bovenste gedeelte van het vruchtlichaam van een zwam
  3. (dierkunde) het koepelvormige deel van een kwal
  4. (medisch), (letterwoord) huisartsen onder een dak, een vorm van groepspraktijk
vervoeging van
hoeden

hoed

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hoeden
    • Ik hoed. 
  2. gebiedende wijs van hoeden
    • Hoed! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hoeden
    • Hoed je? 
100 %van de Nederlanders;
98 %van de Vlamingen.[5]
  • hoed
enkelvoud meervoud
naamwoord hoed hoede
hoedens

hoed

  1. (hoofddeksel) hoed
  2. (mycologie) hoed