hoed

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hoed
enkelvoud meervoud
naamwoord hoed hoeden
verkleinwoord hoedje hoedjes

Zelfstandig naamwoord

hoed m

  1. (kleding) een hoofddeksel
  2. (mycologie) het bovenste gedeelte van het vruchtlichaam van een zwam
  3. (dierkunde) het koepelvormige deel van een kwal
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
hoeden

hoed

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hoeden
    Ik hoed.
  2. gebiedende wijs van hoeden
    Hoed!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hoeden
    Hoed je?


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord hoed hoede

Zelfstandig naamwoord

hoed

  1. (kleding) hoed
  2. (mycologie) hoed