hoed

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hoed
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘hoofddeksel’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1253 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord hoed hoeden
verkleinwoord hoedje hoedjes

Zelfstandig naamwoord

hoed m

  1. (kleding) een hoofddeksel
  2. (mycologie) het bovenste gedeelte van het vruchtlichaam van een zwam
  3. (dierkunde) het koepelvormige deel van een kwal
  4. (medisch) huisartsen onder een dak, een vorm van groepsprakijk
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
hoeden

hoed

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hoeden
    • Ik hoed. 
  2. gebiedende wijs van hoeden
    • Hoed! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van hoeden
    • Hoed je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord hoed hoede

Zelfstandig naamwoord

hoed

  1. (kleding) hoed
  2. (mycologie) hoed