aer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: aër

Bretons

Zelfstandig naamwoord

aer

  1. lucht


Iers

  enkelvoud meervoud
nominatief aer -
genitief aeir -

Zelfstandig naamwoord

aer m

  1. lucht


Latijn

Uitspraak
  • IPA: /ˈaːɛːr/
Woordafbreking
  • a·er
Woordherkomst en -opbouw
  • Ontleend aan het Oudgriekse ἀήρ (aēr).

Zelfstandig naamwoord

āēr m

  1. lucht
  2. nevel
Verbuiging
Schrijfwijzen
  • Soms gebruikt men een trema om aan te geven dat de "ae" niet als een tweeklank moet uitgesproken worden: "aër".


Limburgs

Uitspraak
  • IPA: /æː(ɐ)(r)/ (Etsbergs)

Werkwoord

aer

  1. (Hooglimburgs) aanvoegende wijs in de tegenwoordige tijd van zeen
    «Ich haop det 't good aer
    Ik hoop dat het goed is.
  2. (Hooglimburgs) derde persoon enkelvoud van zeen
    «Det aer mietj vaderlandj.»
    Dat is mijn vaderland.
  3. (Hooglimburgs), (slang) eerste persoon enkelvoud van zeen.
    «'ch Aer zjuus wie doe aers!»
    Ik ben precies zoals jij bent!


Manado-Maleis

Zelfstandig naamwoord

aer

  1. water


Middelnederlands

Zelfstandig naamwoord

aer v

  1. aar