unser

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Duits

Uitspraak
enkelvoud meervoud
nominatief ich wir
genitief meiner unser
datief mir uns
accusatief mich uns
Woordafbreking
  • un·ser

Persoonlijk voornaamwoord

unser

  1. van ons (genitief van de eerste persoon meervoud)
    «Da sie nur wenig Gäste hatten, schätzten sie sich unser glücklich.»
    Vermits ze maar weinig gasten hadden, waren ze blij voor ons.