Naar inhoud springen

kall

Uit WikiWoordenboek
Andere schrijfwijzen Niet te verwarren met: Kall


  • kall
  • zn [A], [1-3]: afkomstig van het Oudnoorse zelfstandige naamwoord karl (= man)
  • zn [B], [1-5]: afkomstig van het Oudnoorse zelfstandige naamwoord kall (= roep)
Naar frequentie 1364

kall

  1. gebiedende wijs van kalle
[A] enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   kall     kallen     kaller     kallene  
genitief   kalls     kallens     kallers     kallenes  

[A] kall m

  1. bejaarde, een oude man
  2. (schertsend) echtgenoot
  3. (afkorting), (techniek), #(verkorting) molenrad
  • [1]: en gammel kall
een oude man
[B] enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   kall     kallet     kall     kalla
kallene  
genitief   kalls     kallets     kalls     kallas
kallenes  

[B] kall o

  1. convocatie, oproeping
  2. innerlijke drang, levenstaak, roeping
  3. (religie) priesterambt
  4. (religie) pastorat, pastorie
  5. anroep, roepsignaal

kall, mv

  1. onbepaalde vorm nominatief meervoud van kall


  • kall
  • zn[A], [1-23]: afkomstig van de Oudnoorse zelfstandige naamwoorden karl (= man) en kall (= roep)
  • zn[B], [1-4]: afkomstig van det Oudnoorse zelfstandige naamwoord kall (= roep)

kall

  1. gebiedende wijs van kalla

kall

  1. gebiedende wijs van kalle
[A] enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   kall     kallen     kallar     kallane  

[A] kall m

  1. bejaarde, een oude man
  2. (schertsend) echtgenoot
  3. kerel, man
  4. brokkelmann
  5. een mannelijk bovennatuurlijk of ondergronds wezen
  6. (landbouw), (tuinieren) vogelverschrikker
  7. een staaf met dwarsbalk die wordt gezien in het midden van het vuur van het feest van de zonnewende
  8. (dierkunde) mannetje
  9. (dierkunde) het achterste lid in diernamen
  10. (zoötomie) het achterste lid in namen van diermagen
  11. (plantkunde) het achterste lid in plantenamen
  12. (plantkunde) een boom waarvan de kroon en de takken sterk afgesneden zijn
  13. (plantkunde) een alleenstaande dikke boom, in het bijzonder een stam met dorre takken
  14. (afkorting), (techniek), (verkorting) molenrad
  15. (techniek) een verticaal draaiende as van een andere installatie dan een molen, aangedreven door waterkracht, een paard e.a.
  16. (techniek) het achterste lid in namen van langwerpige ronde objecten van hout (vaak verticaal staand)
  17. (techniek) een dwarsbalk of kruis aan het einde van een as
  18. (landbouw) schoven rechtop staand rondom een paal
  19. (spel) een grote staande berkstok, die de tegenpartij zal verzoeken om te werpen
  20. (kookkunst) een laag in reuzel gebakken kerstkoekje
  21. (kookkunst) het achterste lid in namen van (kleine) deigklumpar
  22. (meteorologie) het achterste lid in een andere naam voor de ijsgrens
  • [1]: en gammal kall
een oude man
[B] enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   kall     kallet     kall     kalla  

[B] kall o

  1. convocatie, oproeping
  2. innerlijke drang, levenstaak, roeping
  3. (religie) ambt
  4. (religie) ambtsgebied

kall, mv

  1. onbepaalde vorm nominatief meervoud van kall


  • kall
stellend vergrotend overtreffend
kall
kallare
kallast

kall

  1. koud