gubbe

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • gub·be
Woordherkomst en -opbouw
  • Waarschijnlijk ontleend uit het Zweeds.

Zelfstandig naamwoord

[A] gubbe m

  1. man
  2. bejaarde, grijsaard
  3. ook (pejoratief): een man van zijn woord, een machtige man, een waardige man
    «I Nittedal ble gubbene feid ut i valget for fire år siden.»
    In de verkiezing in Nittedal vier jaar geleden werden de oude mannen eruit (het stadhuis) geveegd.
Verbuiging
m
[A] + [B]
enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   gubbe     gubben     gubber     gubbene  
genitief   gubbes     gubbens     gubbers     gubbenes  
Synoniemen
Afgeleide begrippen

Zelfstandig naamwoord

[B] gubbe m

  1. dynamietpatroon
Afgeleide begrippen


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • gub·be
Woordherkomst en -opbouw
  • Waarschijnlijk ontleend uit het Zweeds.

Zelfstandig naamwoord

[A] gubbe m

  1. man
  2. bejaarde, grijsaard
  3. ook (pejoratief): een man van zijn woord, een machtige man, een waardige man
  4. een bovennatuurlijk verstand
Verbuiging
m
[A] + [B]
enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   gubbe     gubben     gubbar     gubbane  
genitief                        
Synoniemen
Afgeleide begrippen

Zelfstandig naamwoord

[B] gubbe m

  1. dynamietpatroon
Afgeleide begrippen