koud

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • koud
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘guur, kil’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1130 [1]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen koud kouder koudst
verbogen koude koudere koudste
partitief kouds kouders -

Bijvoeglijk naamwoord

koud

  1. met een lage temperatuur, niet warm, fris, kil, koel
     0, ja, hij kon goed klimmen, op de rotsen tenminste, hij was gewend aan de kou, want in de bergen was het 's nachts altijd koud.[2]
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[3]

Meer informatie

Verwijzingen