oproeping

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·roe·ping
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord oproeping oproepingen
verkleinwoord oproepinkje oproepinkjes

Zelfstandig naamwoord

oproeping v

  1. één of meerdere personen naar een bepaalde plaats laten komen.
    • De oproeping van extra soldaten was niet naar de zin van de bevolking. 

Gangbaarheid

84 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.