oproeping

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·roe·ping
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord oproeping oproepingen
verkleinwoord oproepinkje oproepinkjes

Zelfstandig naamwoord

oproeping v

  1. één of meerdere personen naar een bepaalde plaats laten komen.
    • De oproeping van extra soldaten was niet naar de zin van de bevolking. 

Gangbaarheid

81 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be