echtgenoot

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Miep Gies met haar echtgenoot
Uitspraak
Woordafbreking
  • echt·ge·noot
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘man met wie iemand getrouwd is’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1631 [1]
  • samenstelling van  echt   en  genoot   [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord echtgenoot echtgenoten
verkleinwoord echtgenootje echtgenootjes

Zelfstandig naamwoord

echtgenoot m

  1. (familie) een mannelijke huwelijkspartner
    • De vrouw en haar echtgenoot beleefden een romantische huwelijksreis. 
  2. (familie) een huwelijkspartner
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen