Naar inhoud springen

echtgenoot

Uit WikiWoordenboek
Miep Gies met haar echtgenoot
  • echt·ge·noot
  • In de betekenis van ‘man met wie iemand getrouwd is’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1631 [1]
  • samenstelling van  echt  en  genoot  [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord echtgenoot echtgenoten
verkleinwoord echtgenootje echtgenootjes

deechtgenootm

  1. (familie) een mannelijke huwelijkspartner
    • De vrouw en haar echtgenoot beleefden een romantische huwelijksreis. 
     Zouden de fysieke verschillen tussen wijlen mijn echtgenoot en mijn nieuwe vriend een logisch gevolg zijn van het verschil in hun levensstijl? Arend zat een groot deel van de dag in zijn werkkamer - met sigaar - waar hij klanten, architecten en onderaannemers ontving, terwijl Giorgos het grootste deel van zijn leven op een steiger stond.[3]
     En opeens was er ook geen echtgenoot.[3]
  2. (familie) een huwelijkspartner
99 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[4]