hard

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hard
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘moeilijk samen te drukken, te verbrijzelen, te buigen; luid, meedogenloos’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 901 [1]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen hard harder hardst
verbogen harde hardere hardste
partitief hards harders -

Bijvoeglijk naamwoord

hard

  1. stevig, een uitwendige kracht onverzettelijk weerstaand
    • Diamant is de hardste stof bekend aan de wetenschap. 
  2. psychologisch tegen veel bestand, voor niets terugdeinzend
    • Dat is een harde kerel. 
  3. streng
    • Een hard oordeel. 
  4. krachtig
     Maar om te zorgen dat de boog niet instortte in de harde wind moest je een vakwerk van hout en planken bouwen dat vanaf de bodem van het dal omhoogging — er waren enorme hoeveelheden hout nodig om de ondersteuning sterk genoeg te maken.[2]


Bijwoord

hard

  1. met veel inzet en energie
     Na twintig jaar hard werken in glimmende kantoorgebouwen had ik behoefte aan meer natuur en avontuur.[3]
  2. met grote snelheid
    • Hij kan heel hard lopen. 
Synoniemen
Antoniemen
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: hard als steen
  • [2]: ergens hard aankomen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
harden

hard

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van harden
    • Ik hard. 
  2. gebiedende wijs van harden
    • Hard! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van harden
    • Hard je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

  1. "hard" in: Sijs, Nicoline van der, Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org; ISBN 90 204 2045 3
  2. Jan Guillou (vert. Bart Kraamer) “Kop in het zand” (2015), Uitgeverij Prometheus, ISBN 9789044628142
  3. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Engels

Zelfstandig naamwoord

hard

  1. paal


Frans

Uitspraak

Zelfstandig naamwoord

hard m

  1. (spreektaal) pornofilm [1]
  2. (spreektaal) hardrock [1]
  3. (spreektaal) elektronische apparaten, hardware [1]

Bijvoeglijk naamwoord

hard

  1. (spreektaal) moeilijk, pijnlijk
    «Trop hard l’exo de c’matin!»
    Die oefening van vanochtend was echt moeilijk! [1]

Verwijzingen


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • hard
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse woord harðr.
Naar frequentie 1936
stellend vergrotend overtreffend
onbepaald
(sterk)
m/v enkelvoud hard hardere hardest
o enkelvoud hardt
meervoud harde
bepaald
(zwak)
enkelvoud en
meervoud
harde hardere hardeste

Bijvoeglijk naamwoord

hard

  1. hard
  2. flink, fors
  3. streng, bar
Typische woordcombinaties
  • [1]: hardt metall
hardmetaal
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: hard som stein
keihard


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • hard
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse woord harðr.
stellend vergrotend overtreffend
onbepaald
(sterk)
m/v enkelvoud hard hardare hardast
o enkelvoud hardt
meervoud harde
bepaald
(zwak)
enkelvoud en
meervoud
harde hardare hardaste

Bijvoeglijk naamwoord

hard

  1. hard
  2. flink, fors
  3. streng, bar
Typische woordcombinaties
  • [1]: hardt metall
hardmetaal
Uitdrukkingen en gezegden
  • [1]: hard som stein
keihard