harden

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • har·den
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
harden
hardde
gehard
zwak -d volledig

Werkwoord

harden

  1. overgankelijk (metallurgie) hard maken, met name van staal door verhitten, afschrikken en hameren
  2. overgankelijk (figuurlijk) psychisch tegen moeilijkheden bestand maken
    • De kostschool hardde de jongen en bereidde hem voor op een loopbaan in het leger. 
  3. het, iets ~ iets verduren
    • De stank was niet te harden 
  4. ergatief het proces van hard worden van een hars, lijm enz
    • Het mengsel is nog niet goed gehard. 
  5. wederkerend zich ~; zichzelf meer weerstand verschaffen
    • Hij hardt zich voor de komende wedstrijd. 
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Meer informatie