traag

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • traag
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘langzaam’ voor het eerst aangetroffen in 1240 [1]
  • afkomstig van:
Middelnederlands: traech, trege
Oudnederlands: traech, traghe
  • Verwant in Germaans:
Duits: träge, (Oudhoogduits: tragi), Fries: traach [2]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen traag trager traagst
verbogen trage tragere traagste
partitief traags tragers -

Bijvoeglijk naamwoord

traag

  1. met geringe snelheid
    • Een trage beweging 
  2. (figuurlijk) niet snel reagerend
    • Albert Maillard. Hij was een slanke jongen met een enigszins traag, bescheiden karakter. [3] 
Synoniemen
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Afrikaans

stellend attributief vergrotend overtreffend
traag trae traer traagste

Bijvoeglijk naamwoord

traag

  1. traag
    «Trae kredietgroei vra om laer rente.»
    Trage kredietgroei vraagt om een lagere rente.


Nedersaksisch

Bijvoeglijk naamwoord

traag

  1. traag; met geringe snelheid
Synoniemen
Antoniemen