hardlopen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
hardlopen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hard·lo·pen
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
hardlopen
'ɦɑrd.lo.pə(n)
liep hard
lip 'ɦɑrt
hardgelopen
'ɦɑrt.xəlo.pə(n)
klasse 7 volledig

Werkwoord

hardlopen

  1. met versnelde pas zich voortbewegen
    • Bij een triatlon wordt er gezwommen, gefietst en hardgelopen. 
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
enkelvoud meervoud
naamwoord hardlopen -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

hardlopen o

  1. (sport), een sport waarbij men zich bekwaamt in het zich snel voortbewegen
Synoniemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie