harder

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • har·der
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘beenvis’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1286 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord harder harders
verkleinwoord hardertje hardertjes

Zelfstandig naamwoord

harder m

  1. (dierkunde) Mugil curema, een straalvinnige vissoort
    • We hebben harder gegeten. 
  2. een van de componenten van tweecomponentenlijm
Verwante begrippen
Hyponiemen
Vertalingen

Bijvoeglijk naamwoord

harder

  1. onverbogen vorm van de vergrotende trap van hard

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen