arts

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • arts
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Duits, in de betekenis van ‘geneesheer’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1586 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord arts artsen
verkleinwoord artsje artsjes

Zelfstandig naamwoord

arts m

  1. (medisch) (beroep) een geneeskundige die bevoegd is een praktijk uit te oefenen
    • Ga morgen even bij de arts langs. 
    • Zij werkt als arts in het ziekenhuis. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Engels

Zelfstandig naamwoord

arts mv

  1. meervoud van art


Frans

Zelfstandig naamwoord

arts m mv

  1. meervoud van art