medicus

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • me·di·cus
Woordherkomst en -opbouw
  • afgeleid van het Latijn met het achtervoegsel -icus [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord medicus medici
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

medicus m [2]

  1. (medisch) (beroep) een persoon die gerechtigd is de geneeskunde te beoefenen, een arts, dokter, geneesheer, geneeskundige
Vertalingen

Meer informatie

Verwijzingen
  1. etymologiebank.nl
  2. Woordenboek der Nederlandse taal


Latijn

Zelfstandig naamwoord

medicus m

  1. (beroep) arts
    «Medicus dicit puerum aegrum esse.»
    De arts zegt dat de jongen ziek is.
  2. dokter
Verbuiging