Naar inhoud springen

huisarts

Uit WikiWoordenboek
  • huis·arts
enkelvoud meervoud
naamwoord huisarts huisartsen
verkleinwoord huisartsje huisartsjes

dehuisartsm

  1. (medisch) (beroep) een arts die de eerste lijn van opvang vormt voor een aantal vaste patiënten in de buurt
    • Ondersteuning van de huisarts vindt op dit moment onvoldoende plaats. 
     Volgens de online zelftest die ik vanochtend op Schiphol invulde ben ik overspannen en moet ik mijn huisarts raadplegen.[1]
     De lokale gezondheidsdienst kwam poolshoogte nemen en bracht op basis van de gegevens van de plaatselijke huisarts en het ziekenhuisje de zieken in kaart.[2]
100 %van de Nederlanders;
100 %van de Vlamingen.[3]
  1. “Holy Trientje” (2019), Ambo Anthos, ISBN 9789026334238
  2. Roel Coutinho
    “Epidemieën en pandemieën” (2020), Athenaeum - Polak & Van Gennep op Wikipedia, ISBN 9789025310592
  3. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be