huisarts

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • huis·arts
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord huisarts huisartsen
verkleinwoord huisartsje huisartsjes

Zelfstandig naamwoord

huisarts m

  1. (medisch) (beroep) een arts die de eerste lijn van opvang vormt voor een aantal vaste patiënten in de buurt
    • Ondersteuning van de huisarts vindt op dit moment onvoldoende plaats. 
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie