tras

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tras
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord tras trassen
(betekenis 3.)
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

[A] tras m / o

  1. (materiaalkunde) gemalen tufsteen, kan aan cement en beton worden toegevoegd
  2. (bouwkunde) cement waaraan gemalen tufsteen aan is toegevoegd
  3. iets dat is gemaakt met cement of beton waaraan tras is toegevoegd
enkelvoud meervoud
naamwoord tras -
verkleinwoord - -

Zelfstandig naamwoord

[B] tras m

  1. (landbouw) uitgeperst suikerriet
  2. (landbouw) afgehakte bladeren van suikerriet

Werkwoord

vervoeging van
trassen

tras

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van trassen
    • Ik tras. 
  2. gebiedende wijs van trassen
    • Tras! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van trassen
    • Tras je? 

Gangbaarheid

25 % van de Nederlanders;
19 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Spaans

Uitspraak
Woordafbreking
  • tras

Voorzetsel

tras

  1. na, achter
  2. achterna
Synoniemen