vier

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Telwoord (nl)
0 1 2 3 4 5 6 7 8 9
10 11 12 13 14 15 16 17 18 19
20 21 22 23 24 25 26 27 28 29
30 31 32 33 34 35 36 37 38 39
40 41 42 43 44 45 46 47 48 49
50 51 52 53 54 55 56 57 58 59
60 61 62 63 64 65 66 67 68 69
70 71 72 73 74 75 76 77 78 79
80 81 82 83 84 85 86 87 88 89
90 91 92 93 94 95 96 97 98 99
100 200 300 400 500 600 700 800 900 1000
100 103 106 109 1012 1015 1018 1021 1024 1027


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vier

Hoofdtelwoord

vier

  1. het getal tussen de drie en de vijf, in Arabische cijfers 4, in Romeinse cijfers IV
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • vier op een rij
enkelvoud meervoud
naamwoord vier vieren
verkleinwoord viertje viertjes

Zelfstandig naamwoord

vier v / m

  1. het getal 4.
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
vieren

vier

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vieren
    Ik vier.
  2. gebiedende wijs van vieren
    Vier!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van vieren
    Vier je?

Meer informatie


Afrikaans

Telwoord (afr)
0
1 11 10 100 103
2 12 20 200 106
3 13 30 300 109
4 14 40 400
5 15 50 500
6 16 60 600
7 17 70 700
8 18 80 800
9 19 90 900

Hoofdtelwoord

vier

  1. vier


Deens

Woordafbreking
  • vi·er

Werkwoord

vier

  1. tegenwoordige tijd van vie
Schrijfwijzen

Zelfstandig naamwoord

vier, mv

  1. onbepaalde vorm nominatief meervoud van vi



Duits

Telwoord (deu)
0
1 11 10 100 103
2 12 20 200 106
3 13 30 300 109
4 14 40 400 1012
5 15 50 500 1015
6 16 60 600 1018
7 17 70 700 1021
8 18 80 800 1024
9 19 90 900 1027
Uitspraak

Hoofdtelwoord

vier

  1. vier


Friulisch

Zelfstandig naamwoord

vier

  1. (dierkunde) worm