trouwen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • trou·wen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
trouwen
trouwde
getrouwd
zwak -d volledig

Werkwoord

trouwen

  1. (ergatief) het aangaan van een officiële verplichting tussen twee personen om voor elkaar te zorgen
    Op 3 juli ga ik trouwen met mijn vriendin.
  2. (overgankelijk) twee personen in de echt verbinden
    Dat is de dominee die ons getrouwd heeft.
Vertalingen