hond

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Een hond.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hond
Woordherkomst en -opbouw
  • afkomstig van:
Middelnederlands: hont
Oudnederlands: hunt
Germaans: *hundaz
  • Verwant in Germaans:
West: Engels: hound (Angelsaksisch: hund), Duits: Hund, (Oudhoogduits: hunt), Fries: hûn, huund (Oudfries: hund)
Noord: Zweeds/Deens/Noors: hund, (Oudnoors: hundr), IJslands/Faeröers: hundur
Oost: Gotisch: hunds
enkelvoud meervoud
naamwoord hond honden
verkleinwoord hondje hondjes

Zelfstandig naamwoord

hond m

  1. (dierkunde), (zoogdieren) Canis lupus familiaris Wikispecies-logo-en.png, een zoogdier dat tot huisdier getemd is
    Een hond moet regelmatig uitgelaten worden.
Hyperoniemen
Hyponiemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Spreekwoorden
  • Blaffende honden bijten niet.
Wie dreigt is ongevaarlijk.
  • Een haastige hond werpt blinde jongen.
Beter langzaam iets goed doen, dan haastig iets slechts doen.
  • Komt men over de hond, dan komt men ook over de staart.
Als de grootste moeilijkheden zijn overwonnen, volgt de rest ook wel.
  • Men mag geen slapende honden wakker maken.
Men mag geen argwaan wekken.
  • Met onwillige honden is het kwaad hazen vangen.
Met tegenwerkende mensen bereikt men niets.
  • Wie bij de hond slaapt, krijgt zijn vlooien.
Wie met een slecht iemand omgaat, gaat zijn gedrag overnemen.
  • Wie een hond wil slaan heeft licht een stok gevonden.
Voor iets kwaads vindt men gemakkelijk een voorwendsel.
Uitdrukkingen en gezegden
  • als kat en hond zijn
in voortdurend ruzie zijn
  • de hond in de pot vinden
al het voedsel opgegeten terugvinden
  • een hondenbaan
een slechte baan
  • een hondenleven
een ellendig leven
  • hondenweer
slecht weer
  • van het hondje gebeten zijn
trots zijn
  • zo ziek als een hond zijn
zeer ziek zijn
Vertalingen

Meer informatie


Afrikaans

Uitspraak
enkelvoud meervoud
naamwoord hond honde

Zelfstandig naamwoord

hond

  1. (dierkunde), (zoogdieren) hond