hond
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
- Geluid: hond (hulp, bestand)
- IPA:
- (Noord-Nederland): /ˈɦɔnt/
- (Vlaanderen, Brabant): /ˈɦɔnt/
- (Limburg): /ˈhɔnd/
Woordafbreking
- hond
Woordherkomst en -opbouw
|
|
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | hond | honden |
| verkleinwoord | hondje | hondjes |
Zelfstandig naamwoord
hond m
- (dierkunde), (zoogdieren) Canis lupus familiaris
, een zoogdier dat tot huisdier getemd is
- Een hond moet regelmatig uitgelaten worden.
Hyperoniemen
Hyponiemen
- rottweiler, boxer, bulldog, dashond, herdershond, labrador retriever, Engelse cockerspaniël, Amerikaanse cockerspaniël, Amerikaanse waterspaniël, pitbull
Afgeleide begrippen
- hondenbelasting
- hondenbrokken mv
- hondenfluitje
- hondenpoep
- hondentrouw
- hondenuitlaatstrook
- hondenwacht
Verwante begrippen
Spreekwoorden
- Blaffende honden bijten niet.
Wie dreigt is ongevaarlijk.
- Een haastige hond werpt blinde jongen.
Beter langzaam iets goed doen, dan haastig iets slechts doen.
- Komt men over de hond, dan komt men ook over de staart.
Als de grootste moeilijkheden zijn overwonnen, volgt de rest ook wel.
- Men mag geen slapende honden wakker maken.
Men mag geen argwaan wekken.
- Met onwillige honden is het kwaad hazen vangen.
Met tegenwerkende mensen bereikt men niets.
- Wie bij de hond slaapt, krijgt zijn vlooien.
Wie met een slecht iemand omgaat, gaat zijn gedrag overnemen.
- Wie een hond wil slaan heeft licht een stok gevonden.
Voor iets kwaads vindt men gemakkelijk een voorwendsel.
Uitdrukkingen en gezegden
- als kat en hond zijn
in voortdurend ruzie zijn
- de hond in de pot vinden
al het voedsel opgegeten terugvinden
- een hondenbaan
een slechte baan
- een hondenleven
een ellendig leven
- hondenweer
slecht weer
- van het hondje gebeten zijn
trots zijn
- zo ziek als een hond zijn
zeer ziek zijn
Vertalingen
1. Canis lupus familiaris, een zoogdier dat tot huisdier getemd is
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.
Afrikaans
Uitspraak
- IPA: /ɦont/
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | hond | honde |
Zelfstandig naamwoord
hond
- (dierkunde), (zoogdieren) hond