hond

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken
Een hond.

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hond
enkelvoud meervoud
naamwoord hond honden
verkleinwoord hondje hondjes

Zelfstandig naamwoord

hond m

  1. (dierkunde), (zoogdier) Canis lupus familiaris, een zoogdier dat tot huisdier getemd is.
    Een hond moet regelmatig uitgelaten worden.
Afgeleide begrippen
Hyperoniemen
Hyponiemen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • als kat en hond zijn
    • in voortdurend ruzie zijn
  • de hond in de pot vinden
    • al het voedsel opgegeten terugvinden
  • een hondenbaan
    • een slechte baan
  • een hondenleven
    • een ellendig leven
  • hondenweer
    • slecht weer
  • van het hondje gebeten zijn
    • trots zijn
  • zo ziek als een hond zijn
    • zeer ziek zijn
Spreekwoorden
  • blaffende honden bijten niet
    • wie dreigt is ongevaarlijk
  • een haastige hond werpt blinde jongen
    • beter langzaam iets goed doen, dan haastig iets slechts doen
  • komt men over de hond, dan komt men ook over de staart
    • als de grootste moeilijkheden zijn overwonnen, volgt de rest ook wel
  • men mag geen slapende honden wakker maken
    • men mag geen argwaan wekken
  • met onwillige honden is het kwaad hazen vangen
    • met tegenwerkende mensen bereikt men niets
  • wie bij de hond slaapt, krijgt zijn vlooien
    • wie met een slecht iemand omgaat, gaat zijn gedrag overnemen
  • wie een hond wil slaan heeft licht een stok gevonden
    • voor iets kwaads vindt men gemakkelijk een voorwendsel
Vertalingen

Meer informatie


Afrikaans

Uitspraak
enkelvoud meervoud
hond honde

Zelfstandig naamwoord

hond

  1. hond


Persoonlijke instellingen