handdoek
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- hand·doek
Woordherkomst en -opbouw
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | handdoek | handdoeken |
| verkleinwoord | handdoekje | handdoekjes |
Zelfstandig naamwoord
handdoek m
- een doek waarmee men zich afdroogt
- Tijdens het douchen kwam hij erachter dat hij zijn handdoek was vergeten te pakken.
- (België) een theedoek
- Hij pakte een handdoek om het kopje af te drogen.
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
- de handdoek in de ring (gooien / werpen)
het opgeven
Vertalingen
1. een doek waarmee men zich afdroogt
Meer informatie
- Zie Wikipedia voor meer informatie.