handschoen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken
Handschoenen.

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hand·schoen
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord handschoen handschoenen
verkleinwoord handschoentje handschoentjes

Zelfstandig naamwoord

handschoen v/m

  1. (kleding) een handkledingstuk met aparte vingers
    Verdorie, ik ben mijn handschoenen vergeten mee te nemen.
Verwante begrippen
Hyponiemen
Spreekwoorden

Iemand de handschoen toewerpen.

  • Iemand uitdagen.

De handschoen opnemen.

  • De uitdaging aannemen.

Het is geen katje om zonder handschoenen aan te pakken.

  • Het is een kattig persoon.
Vertalingen

Meer informatie