vinger

Uit WikiWoordenboek

Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • vin·ger

Zelfstandig naamwoord

enkelvoud meervoud
naamwoord vinger vingers
verkleinwoord vingertje vingertjes

vinger m

  1. (anatomie) elk van de 5 gelede extremiteiten waar de hand zich in splitst.
Verwante begrippen
Vertalingen
Spreekwoorden
  • Als men hem een vinger geeft, neemt hij de hele hand

Hij maakt op onbescheiden wijze gebruik van wat hem is toegestaan, hij maakt misbruik van iemands welwillendheid

  • Dat klopt als een zwerende vinger

Dat klopt precies

  • Dat kun je op je vingers natellen

Zeer gemakkelijk nagaan, inzien

  • De vinger aan de pols houden

De nieuwste ontwikkelingen bijhouden

  • De vinger op de mond leggen; de vinger op de lippen leggen

Zwijgen, niets (over)vertellen, of aldus aanduiden dat men zwijgen moet

  • De vinger op de wond of zere plek leggen

Precies zeggen waar een gebrek schuilt

  • Een vinger in de pap hebben

Mede verantwoordelijk zijn, mede beslissen

  • Een vinger uitsteken

Een kleine avance maken

  • Elfde vinger

(synoniem) penis

  • Er moet wat uit zijn vingers komen

Hij moet iets produceren

  • Ergens een vinger achter (weten te) krijgen

Er vat op krijgen

  • Geen vinger voor, naar iem. of iets uitsteken

Er geen voor willen doen

  • Groene vingers hebben

Goede met planten om te gaan

  • Het geheven vingertje

De vermaningsijver

  • Hij heeft zich in de vinger gesneden

Zich nadeel berokkend, tegen zijn eigen belang gehandeld

  • Hij laat zich om de of een vinger winden

Hij is zeer zachtaardig

  • Iemand op de vingers tikken

Iem. berispen

  • Iets door de vingers zien

Iets oogluikend toelaten

  • Iets in de of zijn vingers hebben

Het door en door kennen, beheersen, er aanleg voor hebben

  • Iets met een natte vinger doen

Iets doen zonder zorgvuldig onderzoek, op gemakzuchtige wijze enz. (vooral schattingen)

  • Lange vingers hebben

Geneigd zijn te stelen

  • Met de vinger wijzen

Aldus de aandacht op iets of iemand vestigen

  • Op de vingers (van een hand) te tellen zijn

Zeer gering in aantal zijn

  • Tot in de toppen van zijn (haar) vingers

Door en door, helemaal, geheel en al

  • Zijn de vingers branden

De onaangename gevolgen van een ondoordachte handelwijze ondervinden

  • Zijn vingers thuishouden

Iets niet aanraken

Meer informatie


Afrikaans

Uitspraak
  • IPA: /ˈfəŋər/
enkelvoud meervoud
vinger vingers

Zelfstandig naamwoord

vinger

  1. (anatomie) vinger.


Limburgs

Uitspraak
  • IPA: /vɪŋ(g)ɐ(r)/ (Etsbergs)

Zelfstandig naamwoord

vinger m

  1. vinger
Verbuiging
enkelvoud meervoud
geheel gemuteerd verkleind gemuteerd verkleind geheel gemuteerd verkleind gemuteerd verkleind
nominatief vinger - vingerke - vinger(er) - vingerkes -
genitief vingers - vingerkes - vinger(er) - vingerkes -
locatief vingeres - vingereske - vingerese) - vingereskes -
datief vingere - vingerke - vinger(er) - vingerkes -
accusatief vinger - vingerke - vinger(er) - vingerkes -
Persoonlijke instellingen