handhaven
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- hand·ha·ven
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| handhaven /ɦɑnthavə(n)/ |
handhaafde /'ɦɑnthavdə/ |
gehandhaafd /ɣə'ɦɑnthaft/ |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
handhaven
- (overgankelijk) iets doen voortbestaan, aan iets vasthouden
- Hij handhaafde zijn bezwaar tegen de bezuiniging.
- (wederkerend) zich een positie in een groep verzekeren
- Hij kon zich in de klas niet handhaven.
Vertalingen
1. iets doen voortbestaan, aan iets vasthouden
2. zich een positie in een groep verzekeren