vuist
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- vuist
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | vuist | vuisten |
| verkleinwoord | vuistje | vuistjes |
Zelfstandig naamwoord
vuist v
- gebalde hand
- Hij gaf hem een klap met zijn vuist.
- (gereedschap) en zware hamer met een korte steel
- Met een koudbeitel en vuist werd de vastgeroeste moer er grofweg afgeslagen.
Synoniemen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
- [1]: een vuist maken
de krachten verzamelen om tegen iets op te treden
- [1]: voor de vuist weg
- [1]: op de vuist gaan
- [1]: uit het vuistje eten
met de handen eten
- [1]: in zijn vuistje lachen
achter de hand lachen om iemands onhandigheid/afgang
Vertalingen
1. gebalde hand