overhandigen

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Inhoud

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • over·han·di·gen
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
overhandigen
overhandigde
overhandigd
zwak -d volledig

Werkwoord

overhandigen

  1. (ditransitief) in de handen van een ander geven
    Hij overhandigde Sanne een brief.
Vertalingen
Persoonlijke instellingen
Naamruimten

Varianten
Handelingen
Navigatie
Informatie
Zusterprojecten
Hulpmiddelen
In andere talen