overhandigen
Uit WikiWoordenboek
Inhoud |
Nederlands
Uitspraak
Woordafbreking
- over·han·di·gen
| stamtijd | ||
|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| overhandigen |
overhandigde |
overhandigd |
| zwak -d | volledig | |
Werkwoord
overhandigen
- (ditransitief) in de handen van een ander geven
- Hij overhandigde Sanne een brief.