afdekzeil

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

links blauw afdekzeil met metalen ogen
Uitspraak
Woordafbreking
  • af·dek·zeil
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord afdekzeil afdekzeilen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

afdekzeil o

  1. doek waarmee men lading kan beschermen tegen weer en wind, vaak met metalen ogen aan de rand om het vast te kunnen sjorren
    • Bij de woning aan de Wikkeweg stond onder een afdekzeil een grote stapel dozen met vuurwerk. In een schuur trof de politie nog eens vijfhonderd kilo knallers aan. Het vuurwerk is in beslag genomen.[1] 
    • Het grootste deel van de diefstallen wordt gepleegd door 'zeilsnijders': criminelen die het afdekzeil kapotsnijden waardoor ze de lading kunnen zien en wegroven als die waardevol is. Het gemiddelde schadebedrag bij een ladingdiefstal is 100.000 euro. Daar komt dan de bedrijfs- en vervolgschade voor transportbedrijven nog bij.[2] 
  2. doek waarmee men een open boot kan afdekken
    • Bij de nieuwbouw van een sloep of tender vormen de buiskap en het afdekzeil vaak een sluitpost. En met dekzeil bedoelen we het zeil dat u elke keer na het varen over de boot spant.[3] 
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. de Telegraaf 31 dec. 2014
  2. de Telegraaf 02 mei 2014
  3. de Telegraaf 31 dec. 2014