surfplank

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • surf·plank
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord surfplank surfplanken
verkleinwoord surfplankje surfplankjes

Zelfstandig naamwoord

surfplank v/m

  1. (sport) een plank waarop men surft
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie