kordaat

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • kor·daat
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Spaans of Latijn, in de betekenis van ‘ferm’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1658 [1]
stellend vergrotend overtreffend
onverbogen kordaat kordater kordaatst
verbogen kordate kordatere kordaatste
partitief kordaats kordaters -

Bijvoeglijk naamwoord

kordaat

  1. vastbesloten, vastberaden
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders
98 % van de Vlamingen.

Verwijzingen