Naar inhoud springen

reden

Uit WikiWoordenboek
  • re·den
1 enkelvoud meervoud
naamwoord reden redenen
verkleinwoord redentje redentjes
2 enkelvoud meervoud
naamwoord reden redens
verkleinwoord

deredenv/m

  1. motivatie door iemand bedacht of beredeneerd
    • Kun je een reden geven waarom je te laat bent? 
     Made in China: De prijs lijkt niet de enige reden te zijn dat Chinese auto's steeds populairder worden in Europa. Het imago van made in China lijkt in een relatief korte tijd volledig te zijn veranderd. "Waar producten uit China vroeger inferieur waren, is dat nu niet langer hoe mensen naar Chinese producten kijken", zegt Luman.[4]
     Dit alles zou ik geneigd zijn positief te beoordelen. Daar staat echter tegenover dat deze vaas met plastic bloemen reden geeft tot zorgen met betrekking tot de affiniteit die de nieuwe eigenaar heeft met onze tradities. Maar ik wil u niet met mijn bekommeringen vervelen. We zijn er. Dit is kamer 17, de suite die ik voor u op orde heb laten brengen.[5]
  2. (metonymisch) verklaring voor een gegeven
     Een andere reden dat antihyperhelium-4 interessant is, zo zegt Stöcker, is dat de omstandigheden in de deeltjesversneller bij het ontstaan ervan de toestand nabootsen waarin het heelal verkeerde toen het slechts een miljoenste van een seconde oud was. Het heelal bestond op dat moment uit een ‘hete soep’ van deeltjes. Het identificeren van de materie- en antimateriedeeltjes die hieruit voortkomen, kan helpen begrijpen hoe we in een heelal terecht zijn gekomen waarin de hoeveelheid materie, inclusief de materie waaruit wijzelf bestaan, de schaarse hoeveelheid antimateriedeeltjes overschaduwt.[6]
     Duizenden kilometers aan dijken, noodkeringen en beschoeiingen zijn aangelegd om de Mississippi in toom te houden. Maar dit uitgestrekte systeem is de reden dat de regio inmiddels als een oude schoen uit elkaar valt.[7]
  3. (wiskunde) verhouding, betrekking tussen een grootheid en een andere
  • om die reden
hierdoor

deredenmv

  1. meervoud van het zelfstandig naamwoord rede

reden

stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
reden
reedde
gereed
zwak -d volledig
  1. (verouderd) klaar maken tot het eindproduct
    • Het reden van een stoel is het afknippen van de restje riet. 
  2. (verouderd) ervoor zorgen dat een schip klaar is om te varen (zie ook rederij)
vervoeging van
rijden

reden

  1. meervoud verleden tijd van rijden
    • Wij reden. 
    • Jullie reden. 
    • Zij reden. 
     Af en toe reden groen-witte pick-uptrucks van de grenspolitie ons tegemoet omdat we de Mexicaanse grens naderden.[8]
99 %van de Nederlanders;
99 %van de Vlamingen.[9]
  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. reden op website: Etymologiebank.nl
  3. "reden" in:
    Sijs, Nicoline van der
    , Chronologisch woordenboek. De ouderdom en herkomst van onze woorden en betekenissen, 2e druk, Amsterdam / Antwerpen: Veen, 2002; op website dbnl.org
    ; ISBN 90 204 2045 3
  4. Bronlink geraadpleegd op 24 april 2025 Weblink bron
    Aïda Brands
    “Chinese elektrische auto's booming in Europa ondanks heffingen” (24 april 2025), NOS
  5. “Grand Hotel Europa” (2018), De Arbeiderspers op Wikipedia, ISBN 978-90-295-2622-7, p. 16
  6. Bronlink geraadpleegd op 25 april 2025 Weblink bron
    Karmela Padavic Callaghan
    “LHC breekt record met detectie zwaarste antimaterie-atoom ooit” (23 april 2025), newscientist
  7. Bronlink geraadpleegd op 18 maart 2025 Weblink bron
    Laura Wismans
    “Koraalseks is niet zonder risico” (27 mei 2021) op nrc.nl op Wikipedia
  8. Tim Voors
    “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  9. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Door archive.org gearchiveerde versie van 21 oktober 2019 “Word Prevalence Values” op ugent.be
  • IPA: /ˈʀeːdn̩/
stamtijd
infinitief verleden
tijd
voltooid
deelwoord
reden
/ˈʀeːdn̩/
redete
/ˈʀeːdətə/
geredet
gəˈʀeːdət/
volledig

reden

  1. praten, spreken
  • re·den
Naar frequentie > 50000

reden, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van red
  • re·den

reden, m

  1. bepaalde vorm nominatief enkelvoud van red