student

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stu·dent
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Latijn, in de betekenis van ‘iemand die studeert’ voor het eerst aangetroffen in het jaar 1350 [1]
enkelvoud meervoud
naamwoord student studenten
verkleinwoord studentje studentjes

Zelfstandig naamwoord

student m

  1. (onderwijs) iemand die hoger onderwijs volgt
    • De universiteit met al haar medewerkers, studenten en onderzoekers vormt een academische gemeenschap. 
Synoniemen
Verwante begrippen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • de geslaagde student
«Aan de geslaagde student wordt een getuigschrift uitgereikt en een lijst met de door hem behaalde resultaten uit het tweede, derde en vierde jaar.»
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Afrikaans

Uitspraak
enkelvoud meervoud
naamwoord student studente


Woordafbreking
  • stu·dent
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

student

  1. (onderwijs) student

Meer informatie


Engels

enkelvoud meervoud
student students

Zelfstandig naamwoord

student

  1. (onderwijs) student


Nedersorbisch

Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

student m

  1. (onderwijs) student
Afgeleide begrippen


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • stu·dent
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Latijnse werkwoord studere
Naar frequentie 6141
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   student     studenten     studenter     studentene  
genitief   students     studentens     studenters     studentenes  

Zelfstandig naamwoord

student m

  1. (onderwijs) student (mannelijke vorm)
    «Den rødgrønne regjeringen har sviktet alle landets studenter
    De rood-groene regering heeft alle studenten van het land in de steek gelaten.
  2. (onderwijs) studente (vrouwelijke vorm)
Afkorting
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen


Nynorsk

Uitspraak
Woordafbreking
  • stu·dent
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Latijnse werkwoord studere
  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   student     studenten     studentar     studentane  

Zelfstandig naamwoord

student m

  1. (onderwijs) student (mannelijke vorm)
    «Rundt 50.000 studentar blokkerer store delar av sentrum av den italienske hovudstaden Roma i protest mot store kutt i utdanningssektoren.»
    Ongeveer 50.000 studenten blokkeren grote delen van het centrum van de Italiaanse hoofdstad Rome uit protest tegen de grote bezuinigingen in het onderwijs.
  2. (onderwijs) studente (vrouwelijke vorm)
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Afkorting


Oppersorbisch

Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

student m

  1. (onderwijs) student
Afgeleide begrippen


Pools

Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

student m

  1. (onderwijs) student
Afgeleide begrippen


Schots

Zelfstandig naamwoord

student

  1. (onderwijs) student

Meer informatie


Tsjechisch

Uitspraak
Woordafbreking
  • stu·dent
Woordherkomst en -opbouw

Zelfstandig naamwoord

student mbezield

  1. (onderwijs) student; iemand die middelbaar of hoger onderwijs studeert
Verbuiging


Schrijfwijzen
Synoniemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen

Verwijzingen

Meer informatie


Zweeds

Zelfstandig naamwoord

  enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   student     studenten     studenter     studenterna  
genitief   sudents     studentens     studenters     studenternas  
  1. (onderwijs) student