studentenhuis

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • stu·den·ten·huis
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord studentenhuis studentenhuizen
verkleinwoord studentenhuisje studentenhuisjes

Zelfstandig naamwoord

studentenhuis o

  1. gebouw waarin meerdere studenten op kamers wonen
    • De keuken van een studentenhuis is meestal niet erg schoon. 

Meer informatie

Gangbaarheid