hartstreek

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • hart·streek
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord hartstreek hartstreken
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

hartstreek v/m [1]

  1. (anatomie) linker gedeelte van de voorzijde van de borstkas waarvan men denkt dat pijn aan het hart daar voelbaar is
    • Ze zag hoe Mounot met een hand naar haar hartstreek ging. De vrouw had pijn. Het hoesten werd erger. Chantal zette de recorder uit en stond op, op zoek naar de keuken. De eerste deur die ze opende, bleek de slaapkamer te zijn. Dichtgetrokken gordijnen, schemerdonker. In het benauwde kamertje rook het naar volle asbakken. In een hoekje stond een tafeltje met een computer. Ze sloot de deur, opende de volgende en liep de keuken in. Op het aanrecht stond een vaat van minstens drie dagen. Ze viste een glas eruit, hield dat onder de kraan en liep snel terug. [2] 
    • Ging ik naar de cardioloog, zette hij me op een hometrainer met elektroden op mijn borst en kwamen we samen wederom tot dezelfde slotsom: ik beeldde me van alles in wat niet door de apparatuur werd gestaafd. Deze operatie was geen inbeelding, maar bittere noodzaak. De zenuwen in mijn maag en hartstreek voelden niet anders aan dan een aanval van doodsangst midden in de nacht. Angst is angst is angst, dacht ik.[3]  
Synoniemen
Vertalingen

Gangbaarheid

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Berg, Michael Een echte vrouw 2014 ISBN 978-90-443-2584-3 pagina 251
  3. Spaan, Henk Oude vrienden ISBN 978-90-254-4334-4 2015 pagina 283