tour

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tour
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘rondrit’ voor het eerst aangetroffen in 1667 [1]
  • van het Frans [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord tour tours
verkleinwoord tourtje tourtjes

Zelfstandig naamwoord

tour m [3]

  1. rondreis, rondgang, toer
     Hoewel het bij mijn oudste dochter soms lastig was om een afspraak in haar drukke tieneragenda in te plannen, reden we samen naar Groningen om in mijn oude studentenhuis te logeren en zijn we bezig met een tour om in elke provincie een biefstuk te eten.[4]
  2. (sport) Tour de France
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

96 % van de Nederlanders;
93 % van de Vlamingen.[5]

Meer informatie

Verwijzingen


Frans

Uitspraak
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  tour     le tour     tours     les tours  

Zelfstandig naamwoord

tour m

  1. truc
  2. (gereedschap) draaibank
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  tour     la tour     tours     les tours  

tour v

  1. (bouwkunde) toren