tour

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tour
Woordherkomst en -opbouw
  • Leenwoord uit het Frans, in de betekenis van ‘rondrit’ voor het eerst aangetroffen in 1667 [1]
  • van het Frans [2]
enkelvoud meervoud
naamwoord tour tours
verkleinwoord tourtje tourtjes

Zelfstandig naamwoord

tour m [3]

  1. rondreis, rondgang, toer
  2. (sport) Tour de France
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

98 % van de Nederlanders;
94 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen


Frans

Uitspraak
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  tour     le tour     tours     les tours  

Zelfstandig naamwoord

tour m

  1. truc
  2. (gereedschap) draaibank
enkelvoud meervoud
zonder lidwoord met lidwoord zonder lidwoord met lidwoord
  tour     la tour     tours     les tours  

tour v

  1. (bouwkunde) toren