gebied

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·bied
enkelvoud meervoud
naamwoord gebied gebieden
verkleinwoord gebiedje gebiedjes

Zelfstandig naamwoord

gebied o

  1. een deel van het aardoppervlak
    Het gebied tussen twee huizen.
  2. alle dingen die behoren tot een tak van het onderwijs, de kunst en/of de wetenschap
    Het gebied van de wiskunde en aanverwante bètadisciplines.
Synoniemen
Hyponiemen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
gebieden

gebied

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gebieden
    Ik gebied.
  2. gebiedende wijs van gebieden
    Gebied!
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gebieden
    Gebied je?


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord gebied gebiede

Zelfstandig naamwoord

gebied

  1. gebied
    «Paaie word sedert vanoggend opgeruim om toegang tot die gebiede te kry.»
    Wegen worden sinds vanmorgen opgeruimd om toegang tot de gebieden te krijgen.