gebied

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·bied
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gebied gebieden
verkleinwoord gebiedje gebiedjes

Zelfstandig naamwoord

gebied o

  1. een deel van het aardoppervlak
    • Het gebied tussen twee huizen. 
  2. alle dingen die behoren tot een tak van het onderwijs, de kunst en/of de wetenschap
    • Het gebied van de wiskunde en aanverwante bètadisciplines. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
gebieden

gebied

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gebieden
    • Ik gebied. 
  2. gebiedende wijs van gebieden
    • Gebied! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gebieden
    • Gebied je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen

  1. etymologiebank.nl


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord gebied gebiede

Zelfstandig naamwoord

gebied

  1. gebied
    «Paaie word sedert vanoggend opgeruim om toegang tot die gebiede te kry.»
    Wegen worden sinds vanmorgen opgeruimd om toegang tot de gebieden te krijgen.