gebied

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • ge·bied
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord gebied gebieden
verkleinwoord gebiedje gebiedjes

Zelfstandig naamwoord

gebied o

  1. een deel van het aardoppervlak
    • Het gebied tussen twee huizen. 
  2. alle dingen die behoren tot een tak van het onderwijs, de kunst en/of de wetenschap
    • Het gebied van de wiskunde en aanverwante bètadisciplines. 
     `Onze gasten kunnen gerust slapen in de wetenschap dat hun vertrekken duchtig worden bewaakt; zei Montebello. `Om zich toegang te verschaffen tot de bovenverdiepingen dient men te passeren tussen de hybride verschijningsvorm van de angst en het verraderlijk spinnende poesje dat voor raadselen stelt, die respectievelijk staan voor het weinig realistische zelfbeeld van de man en het wezen van de vrouw, als u het mij toestaat u te amuseren met mijn dilettantisme op het gebied van de symboliek.[3]
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Vertalingen

Werkwoord

vervoeging van
gebieden

gebied

  1. eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gebieden
    • Ik gebied. 
  2. gebiedende wijs van gebieden
    • Gebied! 
  3. (bij inversie) tweede persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van gebieden
    • Gebied je? 

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen


Afrikaans

enkelvoud meervoud
naamwoord gebied gebiede

Zelfstandig naamwoord

gebied

  1. gebied
    «Paaie word sedert vanoggend opgeruim om toegang tot die gebiede te kry.»
    Wegen worden sinds vanmorgen opgeruimd om toegang tot de gebieden te krijgen.