omstreek
Uiterlijk
- om·streek
| enkelvoud | meervoud | |
|---|---|---|
| naamwoord | omstreek | (omstreken) * |
| verkleinwoord | (omstreekje) | (omstreekjes) |
- buitenwijk, omgeving (meer gebruikelijk in het meervoud)
- omstreken (meer gangbare vorm)
- Het meervoud "omstreken" heeft eenzelfde betekenis en is dus voor wat betreft de betekenis niet het meervoud van "omstreek".
- Het woord omstreek staat in de Woordenlijst Nederlandse Taal van de Nederlandse Taalunie.