strijken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • strij·ken
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
strijken
streek
gestreken
klasse 1 volledig

Werkwoord

strijken

  1. over een oppervlak laten glijden
    • Hij streek zijn huilende zoontje over zijn bolletje. 
  2. wasgoed desinfecteren en gladmaken met hulp van een heet ijzer, een strijkijzer
    • Ik heb dat overhemd nog niet gestreken. 
  3. iets laten zakken
    • De zeilen strijken. 
Uitdrukkingen en gezegden
  • de vlag strijken
capituleren, zich overgeven
  • het vaantje strijken
bewusteloos raken
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
99 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen