strijken

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • strij·ken
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
strijken
streek
gestreken
klasse 1 volledig

Werkwoord

strijken

  1. over een oppervlak laten glijden
    Hij streek zijn huilende zoontje over zijn bolletje.
  2. wasgoed desinfecteren en gladmaken met hulp van een heet ijzer
    Ik heb dat overhemd nog niet gestreken.
  3. iets laten zakken
    De zeilen strijken.
Vertalingen