sluiten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • slui·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
sluiten
sloot
gesloten
klasse 2 volledig

Werkwoord

sluiten

  1. overgankelijk toedoen, dichtmaken
    • We moeten deze weg sluiten voor het wegverkeer, anders gebeuren er ongelukken. 
  2. een compromis ~: ondanks verschillen tot overeenkomst komen
    • Zij hebben toch nog een compromis weten te sluiten. 
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

Een overeenkomst sluiten.

Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen