treffen

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • tref·fen
Woordherkomst en -opbouw
  • In de betekenis van ‘raken’ voor het eerst aangetroffen in 1409 [1] [2]
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
treffen
trof
getroffen
klasse 3 volledig

Werkwoord

treffen

  1. overgankelijk raak schieten; raken
     De een-na-laatste dag werd ik getroffen door een enorme sneeuwstorm die de hele dag duurde.[3]
  2. wederkerig bij elkaar komen
    • Wij troffen elkaar in het restaurant. 
     We spraken een plek af waar we elkaar over een week zouden treffen, maar helaas duurde zijn blessure langer dan verwacht en zag ik hem pas een maand later weer terug.[3]
  3. inergatief goed uitkomen
    • Dat treft! 
Synoniemen
Antoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Uitdrukkingen en gezegden
  • een schikking treffen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.[4]

Verwijzingen

Meer informatie