uitsluiten

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • uit·slui·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
uitsluiten
sloot uit
uitgesloten
klasse 2 volledig

Werkwoord

uitsluiten

  1. (overgankelijk) niet langer tot de mogelijkheden rekenen
    We kunnen hem vanwege zijn alibi gevoeglijk uitsluiten als verdachte.
  2. (overgankelijk) toegang of deelname ontzeggen
    Verwanten van degenen die dit organiseren zijn van deelname uitgesloten.
Synoniemen
Vertalingen