sluiting

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • slui·ting
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord sluiting sluitingen
verkleinwoord sluitinkje sluitinkjes

Zelfstandig naamwoord

sluiting v

  1. het sluiten
    • De gemeenteraad discussieerde over de sluiting van het zwembad. 
  2. middel om meerdere objecten, losse delen of uiteindes samen te sluiten
    • Het kettinkje werd met een kleine sluiting vastgemaakt. 
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie