sluitkool

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen


Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • sluit·kool
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord sluitkool sluitkolen
verkleinwoord

Zelfstandig naamwoord

sluitkool v/m [1]

  1. (voeding) Brassica op Wikispecies koolsoort waarvan de bladen van het bladgewas zich dicht opeen over het groeipunt sluiten en zo de eigenlijke kool vormen
     Daar komt bij dat de stoere sluitkool niet moeilijk doet over een beetje barre temperaturen; hij doorstaat winterweer waardoor zelfs Piet Paulusma jammerend zijn studio wordt ingejaagd.[2]
     In West-Vlaanderen is de impact groter, omdat daar heel wat meer vollegrondsteelt verhandeld wordt, zoals jonge sluitkolen, aardappelen en prei.[3]
Synoniemen
Hyponiemen
Vertalingen

Gangbaarheid

25 % van de Nederlanders;
27 % van de Vlamingen.[4]

Meer informatie

Verwijzingen

  1. Woordenboek der Nederlandsche taal (1864-2001).
  2. Bronlink Weblink bron Matthijs Meeuwsen “Rodekool in pot, blik of pak: deze komt als beste uit de test” (12-12-2018,), Tubantia
  3. Bronlink Weblink bron rdc “Waarom u zo veel betaalt voor een bakje aardbeien en courgetten” (10/07/2017), De Standaard
  4. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be