aaneensluiten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • aan·een·slui·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
aaneensluiten
sloot aaneen
aaneengesloten
klasse 2 volledig

Werkwoord

aaneensluiten

  1. absoluut dicht tegen elkaar aankomen
  2. overgankelijk dicht met elkaar verbinden
  3. wederkerend zich ~: zich verenigen
Spreekwoorden
  • zich aaneensluiten: een verbond sluiten
Vertalingen

Gangbaarheid