afsluiten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • af·slui·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
afsluiten
/'ɑf.slʌʏ.tə(n)/
sloot af
/slot 'ɑf/
afgesloten
/'ɑf.xə.slo.tə(n)/
klasse 2 volledig

Werkwoord

afsluiten

  1. overgankelijk zorgen dat iets of iemand niet in, uit of door iets kan gaan, alle openingen dicht doen
    • De Deltawerken waren erop gericht om zo veel mogelijk zeearmen af te sluiten. 
     Deze bosbrand dreigde mijn plan om de PCT in haar geheel te voet af te leggen in de soep te laten lopen. Een deel van de trail bleek inderdaad te worden afgesloten.[1]
  2. overgankelijk zorgen dat iets niet meer werkt, alle verbindingen verbreken
    • Gas en elektra zijn al afgesloten, want we gaan morgen verhuizen. 
  3. overgankelijk een officiële afspraak op papier maken, officieel regelen
    • Heeft u een huisdier? Dan moet u ook een goede huisdierenverzekering afsluiten. 
  4. overgankelijk een einde maken aan
    • We sluiten het feest af met vuurwerk. 
  5. zich afsluiten voor: geen contact willen hebben met
    • Hij sloot zich af voor al het omgevingslawaai en studeerde hard door voor zijn examen. 
Synoniemen
Hyperoniemen
Afgeleide begrippen
Afgeleide begrippen
Vertalingen

Gangbaarheid

99 % van de Nederlanders;
99 % van de Vlamingen.[2]

Verwijzingen

  1. Tim Voors “Alleen, De Pacific Crest Trail te voet van Mexico naar Canada”, eBook: Mat-Zet bv, Soest (2018), Fontaine Uitgevers op Wikipedia
  2. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be