opsluiten

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • op·slui·ten
Woordherkomst en -opbouw
stamtijd
onbepaalde
wijs
verleden
tijd
voltooid
deelwoord
opsluiten
sloot op
opgesloten
klasse 2 volledig

Werkwoord

opsluiten

  1. overgankelijk iemand achter slot gevangen zetten
    • Hij sloot de hond even op in de achterkamer. 
    • ‘Ik was al eens zes maanden opgesloten omdat ik mijn haar had laten knippen. [1] 
Vertalingen

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders;
100 % van de Vlamingen.

Verwijzingen