rechter

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rech·ter
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord rechter rechters
verkleinwoord rechtertje rechtertjes

Zelfstandig naamwoord

rechter m

  1. (juridisch) (beroep) persoon die rechtspreekt, persoon die een oordeel velt
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

Naar de rechter stappen.

Vertalingen
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van rechts met het achtervoegsel -er
stellend
onverbogen rechter
verbogen

Bijvoeglijk naamwoord

rechter

  1. aan de tegenovergestelde zijde van het lichaam waar gewoonlijk het hart zit
    • Ik heb hier de rechter sok, maar waar is de linker gebleven? 
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Woordherkomst en -opbouw

Bijvoeglijk naamwoord

rechter

  1. onverbogen vorm van de vergrotende trap van recht
    • Daarna werd mijn stoel een stukje rechter gezet en kreeg nu weer zo'n warme doek in mijn nek. [2]

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen

  1. www.volkskrant.nl
  2. Aarts, F.C.M. Mijn vaartijd (2004) lulu.com; ISBN 9781291835915; p. 151;geraadpleegd 2017-04-06