rechter

Uit WikiWoordenboek
Ga naar: navigatie, zoeken

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • rech·ter
Woordherkomst en -opbouw
enkelvoud meervoud
naamwoord rechter rechters
verkleinwoord rechtertje rechtertjes

Zelfstandig naamwoord

rechter m

  1. (juridisch) (beroep) persoon die rechtspreekt, persoon die een oordeel velt
    In 2002 ging Gil voor de bijl: hij werd door de rechter uit zijn ambt gezet wegens het verduisteren van 400 miljoen euro aan gemeentegelden. [1]
Synoniemen
Hyponiemen
Afgeleide begrippen
Verwante begrippen
Uitdrukkingen en gezegden

Naar de rechter stappen.

Vertalingen
Woordherkomst en -opbouw
  • Afgeleid van rechts met het achtervoegsel -er
stellend
onverbogen rechter
verbogen

Bijvoeglijk naamwoord

rechter

  1. aan de tegenovergestelde zijde van het lichaam waar gewoonlijk het hart zit
    Ik heb hier de rechter sok, maar waar is de linker gebleven?
Antoniemen
Afgeleide begrippen
Vertalingen
Woordherkomst en -opbouw

Bijvoeglijk naamwoord

rechter

  1. onverbogen vorm van de vergrotende trap van recht
    Daarna werd mijn stoel een stukje rechter gezet en kreeg nu weer zo'n warme doek in mijn nek.[2]

Gangbaarheid

100 % van de Nederlanders
100 % van de Vlamingen.

Meer informatie

Verwijzingen
  1. www.volkskrant.nl
  2. Aarts, F.C.M. Mijn vaartijd (2004) lulu.com; ISBN 9781291835915; p. 151;geraadpleegd 2017-04-06