dommer

Uit WikiWoordenboek
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Nederlands

Uitspraak
Woordafbreking
  • dom·mer

Bijvoeglijk naamwoord

dommer

  1. onverbogen vorm van de vergrotende trap van dom

Gangbaarheid

97 % van de Nederlanders;
96 % van de Vlamingen.[1]

Verwijzingen

  1. Bronlink geraadpleegd op 28 april 2020 Weblink bron Gearchiveerde versie “Word Prevalence Values” op ugent.be


Noors

Uitspraak
Woordafbreking
  • dom·mer
Woordherkomst en -opbouw
  • Afkomstig van het Oudnoorse woord dómari.

Zelfstandig naamwoord

dommer m

  1. (juridisch) rechter
  2. (sport) arbiter, scheidsrechter
  3. jurylid
Verbuiging
m enkelvoud meervoud
onbepaald bepaald onbepaald bepaald
nominatief   dommer     dommeren     dommere     dommerne  
genitief   dommers     dommerens     dommeres     dommernes  
Schrijfwijzen
Afgeleide begrippen