juge
Uiterlijk
| enkelvoud | meervoud | ||
|---|---|---|---|
| zonder lidwoord | met lidwoord | zonder lidwoord | met lidwoord |
| juge | le juge | juges | les juges |
juge m
| vervoeging van |
|---|
| juger |
juge
- eerste en derde persoon enkelvoud onvoltooid tegenwoordige tijd (indicatif présent) van juger
- eerste en derde persoon enkelvoud tegenwoordige aanvoegende wijs (subjonctif présent) van juger
- tweede persoon enkelvoud gebiedende wijs (impératif présent) van juger
- ju·ge
- Afkomstig van het Oudnoorse woord ljúga, via het Noorse woord ljuge.
| stamtijd | |||
|---|---|---|---|
| onbepaalde wijs |
tegenwoordige tijd |
verleden tijd |
voltooid deelwoord |
| juge |
juger |
jugde |
jugd |
| Klasse 3 zwak | |||
juge
- liegen
- «Jeg har bare jugd, jugd og jugd.»
- Ik heb louter gelogen, gelogen en gelogen.
- «Jeg har bare jugd, jugd og jugd.»
- een fout beeld van de realiteit geven.
- Språknytt 1/2009, 10 maart 2009 (in het Noors)
Categorieën:
- Woorden in het Frans
- Woorden in het Frans van lengte 4
- Woorden in het Frans met audioweergave
- Woorden in het Frans met IPA-weergave
- Zelfstandig naamwoord in het Frans
- Juridisch in het Frans
- Werkwoordsvorm in het Frans
- Woorden in het Noors
- Woorden in het Noors van lengte 4
- Woorden in het Noors met audioweergave
- Woorden in het Noors met IPA-weergave
- Zwak werkwoord klasse 3 in het Noors
- Werkwoord in het Noors